Auteur: Valérie Vandenabeele
Bron: Faune & Biotopes
Deze zomer organiseerde het Waalse Faune & Biotopes vzw een bezoek aan het jachtrevier van André Monami. Hij nam ons mee door zijn jachtrevier, alwaar hij op zowel eigen terreinen als in overleg met enkele landbouwers diverse verbeteringen aan de biotoop voor zijn kleinwildpopulatie aanbracht.
Beheer afschot
André jaagt sinds 1975. Een van de belangrijkste factoren die de achteruitgang van zijn jachtwild beïnvloedt is predatie. Maar liefst 90 % van zijn konijnen verloor hij aan predatie. Maar ook hazen en fazanten deden het niet goed. Vooral vos, kraai, maar ook de wasbeer pleitten schuldig. Gedurende 40 jaar heeft hij geen hazen geschoten en ook fazantenhennen werden jaren volledig gespaard.

Nota: indien het aandeel jongen van het vorige jaar lager is dan 50 %: geen afschot, tenzij zeer hoge populatiedichtheid.

Voorbeeld: Indien je bij de voorjaarstelling gemiddeld 5 jongen per hen telt en je telt 100 hanen, dan mag je 100 x 1 = 100 fazanten schieten (gelijke verhouding hennen en hanen). Let wel, indien je meer fazanten nastreeft, schiet je beter minder hennen gezien de fazanthaan polygaam is en 5-7 hennen bevrucht, bovendien zijn hennen gevoeliger voor predatie vooral tijdens het broedseizoen en met jonge kuikens.
Terrein inrichten samen met landbouwers
Over de jaren heen heeft André ingezet op verschillende maatregelen om de biotoop te verbeteren, zodat de wildsoorten dekking en voedsel vinden. Voor betere resultaten houdt hij ook de belangrijkste predatoren kort. De jacht op kleinwild steunt immers op 3 pijlers: inrichten van de biotoop, predatorcontrole en afschot. Na verloop van de jaren plukt hij vandaag de vruchten van zijn inzet. Zelfs de landbouwers in de buurt krijgen interesse om een aantal maatregelen die André initieerde toe te passen. Je moet er wel rekening mee houden dat landbouw hun broodwinning is. De marktwaarde voor het inrichten van een terrein situeert zich hier rond de 1.800 €/ha. Met de nieuwe subsidies voor beheerovereenkomsten is het makkelijker om landbouwers die geen eigenaar zijn te overtuigen.

In totaal besteedt André zo’n 10 dagen per jaar aan het werken in zijn revier. Om zijn revier in te richten is hij regelmatig in gesprek gegaan met landbouwers. Het structureren van de percelen kan al bijdragen aan de biodiversiteit. Zo kan je door 2 driehoeken om te vormen tot 2 vierhoeken meer randen creëren. Bovendien zijn ze makkelijker te bewerken voor de landbouwer. Wetende dat patrijs en fazant hun nesten gemiddeld in de eerste 25 tot 50 m van een perceelsrand maken, is het interessant om veel perceelsranden te voorzien. Daarenboven blijkt ook uit studies dat roofkevers, natuurlijke predatoren van schadelijke slakken en bladluizen, slechts 75 m in het veld kunnen doordringen. Een perceel van meer dan 150 m breed verlaagt dus ook de effectiviteit van deze natuurlijke gewasbescherming.
Bloemenranden
André ondervindt dat het aanleggen van bloemenranden voor insecten moeilijk is wanneer men niet zowel landbouwer als eigenaar is. Ze nemen voor landbouwers veel plaats in en geven extra werk. Nochtans zijn ze erg belangrijk om insecten te voorzien voor de jonge kuikens en geven ze ook dekking aan het opgroeiende wild.

Water
Wild heeft geen nood aan extra inrichtingen voor drinkwater, ze halen voldoende vocht uit hun voedsel. Het kan natuurlijk geen kwaad om toch wat waterplaatsen te voorzien. Indien je water voorziet, moet je wel opletten voor het creëren van concentraties van parasieten en micro-organismen Ook rond een drinkbak riskeert men een opstapeling van coccidiose, een parasiet die maag- en darmstelsel verstoort. Stromend water, bv. van een beek is beter.

Bramen
Voor ree voorziet André plekken om zich te verschuilen. Jonge bramen eten ze het liefst, ze kunnen tot 90 % van hun dieet uitmaken en het kost niets om deze te plaatsen. Maar ook klein wild doet zich te goed aan de insecten en bessen die de bramen herbergen. Bovendien zijn bramen een makkelijk aan te leggen schuilmogelijkheid, die op zich geen onderhoud vraagt. Wanneer tegen een landbouwperceel gelegen, houdt de passage van landbouwvoertuigen de woekering sowieso in toom.
Open plekken en bosranden
Open plekken creëren in bossen geeft meer licht, wat interessanter is voor de biodiversiteit. Heel wat soorten genieten immers van de bescherming van het bos, maar hebben toch licht nodig om te groeien of gedijen.
Ook fazanten huizen vooral in de eerste 100 m van een bos, bosranden zijn voor hen dus heel belangrijk. In grotere bossen, van 5 ha en meer, is het dan interessant om open plekken met bosranden te creëren.
Struikeneilandjes
Waar er maar beperkte plaats is – 2 tot 5 m2 volstaan al – plant André een groepje struiken aan. Hij kiest daarvoor enkele inheemse soorten in functie van: insecten, bessen, makkelijk in onderhoud en resistentie tegen droogte, regen en koude. André gebruikt vaak meidoorn, Gelderse roos, liguster, brem, kornoelje, wilde roos en sleedoorn. Zo voorziet hij elke 150 m een groepje dekking die een ecologisch netwerk vormen. Bij de inplanting houdt hij er rekening mee dat ze de landbouwer niet hinderen. Ideale locaties zijn aan de voet van pilonen, in voor de tractor moeilijk bereikbare hoekjes, bij een grenspaal, langs kleine wegen en taluds of zelfs in het midden van een perceel voor zover de passage voor grondbewerking niet gehinderd wordt. Voor een dichte begroeiing zet hij de struiken na 2 jaar terug tot 10 cm boven de grond, nadien snoeit hij regelmatig een deel om de struiken in toom te houden.

Stofbaden
Fazanten en patrijzen houden van een plek waar ze zich kunnen ontdoen van parasieten. Een stofbad kan je voorzien met zand, maar een overdekte plek waar geen planten groeien en droge aarde ligt dient even goed. Sommigen mengen ook as met aarde.
Hagen
Hagen van 5-6 jaar worden ook interessant, vooral wanneer de basis verdicht zodat kleinwild zich kan verschuilen. De hagen kunnen ook voedsel voorzien zoals bessen en klein fruit. Maar ook de bloemen brengen insecten naar het veld. Via deze corridors kunnen soorten zich veiliger verspreiden. Nadeel is vooral het onderhoud van de hagen. Om 10 km haag te snoeien, betaal je een aannemer al gauw € 2.000. Reken op 200 €/km. Een moeilijkheid is ook dat eens de hagen geplant zijn, ze ook beschermd zijn. Als landbouwer kan je dus zonder vergunning voor vegetatiewijziging niet meer terug naar de vorige situatie, wat een moeilijk gegeven is. De verminderde oppervlakte heeft ook een invloed op de bemestbare oppervlakte die landbouwers kunnen inbrengen.
André mengt minstens 8 inheemse soorten, die hij telkens per 3 tot 5 gegroepeerd in de haag plant. Opnieuw zet hij ze na 2 jaar terug op 5-10 cm om goed vertakte struiken te krijgen. Een deel (helft) van de hagen worden elke 5 tot 10 jaar teruggezet tot 5 à 10 cm boven de grond.


Lijst aangeraden soorten voor klein wild door Faunes & Biotopes:

Jachtreservaat
Een “réserve de chasse” ofwel rustgebied kan jaarlijks roteren of meerjarig op dezelfde plaats voorzien worden. Een vast jachtreservaat bestaat uit kwaliteitsvol biotoop voor één of meerdere soorten die opgenomen zijn in een faunabeheerplan. Als jager creëer je er dekking en voedsel zodat het wild er het hele jaar rond zijn behoeftes vindt. Zo’n gebied kan eender waar ingericht worden, maar velen geven de voorkeur om ze centraal in het revier in te brengen. Dit indien de naburige jagers niet of minder inzetten op beheer. Beter wellicht is om ze te plaatsen op een locatie waar de soorten altijd al abundant aanwezig waren. Rustgebieden kunnen een paar tot een 10-tal ha groot zijn.
Een jaarlijks roterend jachtreservaat bestaat veelal uit een aanzienlijker aandeel van het jachtrevier, waar een jaar niet gejaagd wordt. Hoe lager de soortdensiteit, hoe groter dit gebied best is. In geval het aantal hazen niet boven de 5 per 100 ha gaat, heeft een reservaat van 10 ha als maatregel weinig zin. ¼ van een revier ongemoeid laten zal dan effectiever zijn. Natuurlijk moet alles in het groter geheel van beheer gezien worden en is beheer steeds maatwerk.

Om het reservaat optimaal te laten werken is het doelgericht afschot van predatoren binnen de reservaten veelal essentieel. Daartoe kan bv. een stille drukjacht voor ree en vos overwogen worden.
Multifunctionele wildinfrastructuur
Tot slot heeft André op zijn eigen terreinen nog wat kleine extra’s voorzien op microschaal.
Hier en daar een hoopje stenen dienen als zone waar mieren en insecten gaan nestelen. Ideaal voor de kuikens van zijn patrijzen en fazanten. Maar ook salamanders en vlinders gaan er graag zonnen en egels en hermelijnen verschuilen er zich. In de lente ziet André dat ook zijn fazantenhanen er gretig gebruik van maken voor hun baltsroepen.
Op een paar plekken laat hij ook bewust een hoopje mest liggen. Daar kruipen mestminnende insecten in en maken slangen hun nest. Eveneens een goede buurt om insecten te vinden en een uitkijktoren voor de fazant.
Van een aantal stukken hout en planken maakt André her en der ook schuilplekken waar klein wild zich droog kan houden en verstoppen voor luchtpredatoren. Met wat zand of as creëert hij daar tegelijk stofbaden.
Zo zie je maar dat kleine ingrepen veel kunnen betekenen voor het landschap en het wild. Weet wat je wild wanneer nodig heeft en denk creatief na voor een oplossing.

